Bestrijding mensenhandel hype of noodzaak?

Jaren geleden werd Nederland opgeschrikt door de rechtszaak tegen de vrouwenhandelaar Saban B., die zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige vrouwenhandel, waarbij er veelvuldig gebruik werd gemaakt van grof geweld tegen vrouwen. Deze strafzaak heeft veel maatschappelijke onrust veroorzaakt en aandacht gevestigd op het probleem van gedwongen prostitutie in ons toen nog liberale prostitutiebeleid. Hoewel er op zichzelf geen verband was, werd deze aandacht verder versterkt door de beslissing van de rechter om Saban B. tijdelijk vrij te laten om zijn pas geboren kind te bezoeken in Turkije. Saban B. is tot nu toe nog niet terug gekeerd, een politieke rel was geboren en er werd een Taskforce Mensenhandel opgericht. In het bijzonder moesten de Amsterdamse Wallen  worden ‘schoongeveegd’.

Deze aanpak lijkt vooral vanuit de invalshoek van het bestuursrecht redelijk effectief te zijn. Het aantal ramen werd drastisch verminderd en de controle werd geïntensiveerd. Het wekt weinig verbazing dat alleen al door de afname van het volume in combinatie met de intensivering van de controle het aantal excessen duidelijk afnam. Hetgeen vanzelfsprekend niet betekent dat de gewelddadige tak van de prostitutiebranche tot nul kon worden gereduceerd. In de rechtspraktijk zien wij een merkwaardige tendens ontstaan. Mannen, vaak van Oost-Europese afkomst, bekostigen hun luie levensstijl door hun vriendin of soms meerdere vrouwen in de prostitutie te laten werken. Niet zelden hebben deze moderne Oblomovs een vriendin zo ver weten te krijgen dat zij volledig worden verzorgd. Hoogstens staat er een ritje, in een meestal Duitse terreinwagen, tegenover.

Het is geen verrassing dat deze parasitaire levensstijl door in het bijzonder politiemensen als provocatief wordt ervaren, maar het is de vraag of er sprake van een strafbaar feit. Artikel 273f Wetboek van Strafrecht is een vrij ingewikkelde wetsbepaling, die mensenhandel strafbaar stelt. Niet alleen de evidente gevallen, waarbij er sprake is van grof geweld, zijn strafbaar, maar ook oplichtingsachtige praktijken zoals misleiding en het misbruik maken van een kwetsbare positie vallen onder de reikwijdte van de wettelijke bepaling.

De uiterst gewelddadige gevallen zijn dus vrij schaars zodat de opsporingsteams, die nog steeds op volle oorlogssterkte aanwezig zijn, zich nu voornamelijk zijn gaan richten op de gevallen waar de uitbuiting minder duidelijk aanwezig is.

Onlangs heeft mijn kantoorgenoot Barry Koenders met succes een zaak bepleit waarbij zijn cliënt en diens vriendin er bewust voor gekozen hadden om te leven van haar inkomsten uit de prostitutie.[1] Koenders had in zijn pleidooi een lans gebroken voor het zelfbeschikkingsrecht van deze vriendin om zelf te bepalen of zij een slachtoffer is van mensenhandel of niet. Hij kreeg een ontketend Openbaar Ministerie tegenover zich, dat soms dubbelzinnige telefoongesprekken maar op één nadelige manier wenste uit te leggen.

Ik vind dit een zorgwekkende ontwikkeling. Het is in het huidige tijdssegment wat naar de achtergrond verdrongen, maar het Openbaar Ministerie maakt een onderdeel uit van de rechterlijke macht en het zou de officier van justitie dan ook sieren om meer magistratelijk en dus kritischer naar het werk van de eigen opsporingsdiensten te kijken. Niet alleen de vraag zou moeten worden gesteld of iemand kan worden vervolgd, maar ook de vraag of het zinvol is om dit soort zaken aan de rechter voor te leggen. Het lijkt er namelijk op dat in dit soort zaken het Openbaar Ministerie via een omweg de legaliteit van de prostitutie in de rechtzaal ter discussie wil stellen.

In ons wettelijk systeem is het echter alleen de wetgever die deze grenzen kan stellen. Als de prostitutie niet bij wet is verboden en er geen pooierverbod geldt, dan kunnen vrouwen er in vrijheid voor kiezen om met een man samen te leven uit de opbrengsten van prostitutie. U en ik kunnen dat goed of slecht vinden, maar als er geen sprake is van onvrijwilligheid of andere omstandigheden die op misbruik duiden, dan bestaat er geen noodzaak om strafrechtelijk in te grijpen. Het zou beter zijn om de kostbare opsporingscapaciteit te benutten voor de duidelijker gevallen van uitbuiting, omdat de wetgeving daarvoor is bedoeld. In de Haarlemse zaak was er een koelbloedige rechtbank nodig die alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegende tot de conclusie kwam dat cliënt moest worden vrijgesproken.

[1] http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:8645

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook