De bronbescherming van journalisten is niet in beton gegoten

In deze blog gaat mr. M.A.M. (Maarten) Pijnenburg in op de recente gijzeling van journalist Robert Bas, waarbij hij betoogt dat voor journalisten dezelfde grenzen zouden moeten worden gehanteerd als voor de klassieke geheimhouders zoals advocaten en artsen.

Donderdag 24 oktober kwam er een ontknoping in een al langer lopende kwestie over het verhoor van de NOS-journalist Robert Bas.

De moord op GGZ-directeur Rob Zweekhorst

Al veel eerder dit jaar had de rechter-commissaris besloten dat de journalist als getuige zou worden gehoord in de strafzaak tegen René F., die verdacht wordt van betrokkenheid bij de moord op de GGZ-directeur Rob Zweekhorst.

De naam van de journalist dook op in de afgeluisterde gesprekken van de voormalige politie-informant Mustafa B. Het ging hier dus niet om het afluisteren van de journalist, maar deze kwam – zoals dat in politiejargon heet –  als “bijvangst “ voorbij in de afgeluisterde telefoongesprekken.

Ruimer bereik bronbescherming?

De vraag die hierbij aan de orde is: geldt het verschoningsrecht dat inmiddels in de wet is verankerd alleen voor het onthullen van de identiteit van een bron, of is er een ruimer bereik van het beschermen van de journalistieke bron?

Het is algemeen aanvaard dat journalisten in een democratische samenleving vanwege hun bijzondere positie het recht hebben om hun bronnen te beschermen. Als dit niet het geval was, dan zou niemand meer op een vrije manier contact kunnen hebben met een journalist zonder het risico te lopen zelf in een opsporingsonderzoek te worden betrokken. Journalisten zouden hiermee de verlengde arm van de opsporing kunnen worden, en dit verdraagt zich vanzelfsprekend niet met de vrije nieuwsgaring als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting.

Als recentelijk voorbeeld, waarom dit belangrijk is, noem ik het onderzoek dat de NRC-journalist Marcel Haenen verrichtte naar misstanden bij de top van het Openbaar Ministerie. Als er geen bronbescherming zou bestaan, dan zou dat onderzoek nooit hebben kunnen plaatsvinden omdat het voornamelijk was gebaseerd op anonieme bronnen.

In Rotterdam liep het toch even anders. In de eerder genoemde strafzaak was er geen discussie over wie de bron was met wie Robert Bas sprak. Maar hoe zit het met andere informatie die Robert Bas mogelijk van deze bron heeft gekregen, terwijl iedereen weet wie de bron is? Geldt daarvoor ook het verschoningsrecht?

De rechter-commissaris vond van niet en bepaalde dat Bas moest worden gegijzeld; vastgezet als pressiemiddel om te verklaren (lees de beschikking van de rechter-commissaris via deze link). 

Een vrij brute actie van de rechter-commissaris, tegen iemand die zich louter professioneel, met deze strafzaak bezighield. ‘s Ochtends naar de rechtbank, ‘s middags in het busje op weg naar het huis van bewaring. 

EHRM: zaak Becker v. Noorwegen

Aan de verdediging heeft het niet gelegen. Er werd een beroep gedaan op de ruimere uitleg van het verschoningsrecht zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Becker in 2017 had bepaald. Gelukkig was er in de stad van geen woorden maar daden, de volgende dag al een raadkamerzitting, waarbij er een streep werd gehaald, door de eerdere misslag van de rechter-commissaris en is Bas gelukkig weer vrij man.

In deze zaak was het vrij evident dat het verschoningsrecht door de rechter verkeerd werd uitgelegd. Toch kunnen er zich situaties voordoen dat de rechter anders zou moeten beslissen. Het verschoningsrecht is wettelijk niet in beton gegoten.

In de wettelijke bepaling over het verschoningsrecht (218a Sr) is opgenomen dat de rechter het beroep op het verschoningsrecht kan afwijzen als bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.

Deze bepaling legt een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de rechter om het fundamentele belang van bronbescherming af te wegen tegen het ondervragingsrecht van de verdediging, of het Openbaar Ministerie.

Het ging hier om een hele lelijke strafzaak; een vergismoord op een volstrekt onschuldige burger die vanwege het hebben van eenzelfde hondenras als het beoogde criminele slachtoffer is geliquideerd. Vreemd genoeg maakt de beslissing van de rechter-commissaris geen melding van deze belangenafweging, maar gaat alleen maar in op de vraag hoe beperkt het verschoningsrecht moet worden uitgelegd. 

De vrije pers

Journalisten, en met name misdaadjournalisten bezitten vanzelfsprekend een goudmijn aan informatie die van belang kan zijn voor de opsporing van de meest ernstige strafbare feiten. 

Toch zou het doorbreken van het verschoningsrecht een enorme inbreuk zijn op het functioneren van een vrije pers, en is daarmee uit den boze. 

Wanneer zou de doorbreking van het verschoningsrecht dan wel gerechtvaardigd zijn? Om het maar eens in het absurde te trekken. Kan de journalist, aan wie een serieus te nemen bron kenbaar heeft gemaakt een aanslag te willen plegen op het Centraal Station een gerechtvaardigd beroep doen op zijn of haar verschoningsrecht?

Wat mij betreft: nee. De oud-hoogleraar Ties Prakken heeft ooit betoogd dat voor journalisten dezelfde grenzen dienen te worden gehanteerd als voor de klassieke geheimhouders zoals advocaten en artsen. Namelijk de strafbepalingen 135 en 136 van het Wetboek van Strafrecht, welke strafbepalingen de burger verplicht aangifte te doen wanneer hij kennis heeft van voorgenomen zeer ernstige misdrijven of van gepleegde misdrijven, waarvan de gevolgen nog kunnen worden voorkomen.

Dit lijkt mij een redelijke en aanvaardbare scheidslijn. Hoe gruwelijk en schokkend de moord op Zweekhorst ook mag zijn, voor een gepleegde moord kan, hoe cru dit ook klinkt, de vrije pers niet worden geofferd.

De bronbescherming ligt min of meer in het verlengde van de geheimhouding die wij als advocaten hebben in relatie tot onze cliënten. Als wij verplicht zouden zijn om te spreken, dan zouden er wellicht moorden kunnen worden opgelost.

Voor ons is de schending van de geheimhoudingsplicht eenvoudigweg strafbaar, en om dit principe te verstevigen kan wat mij betreft de strafbedreiging van een jaar, nog wel omhoog. Voor een journalist voor wie dit niet geldt, dient men extreem terughoudend te zijn bij het toepassen van dit soort ingrijpende dwangmiddelen.

De raadkamer van de rechtbank heeft de rechter-commissaris inmiddels gecorrigeerd en Robert Bas uit de gijzeling ontslagen. De beschikking van de raadkamer is via deze link te vinden.

Maarten Pijnenburg (advocaat)

Dit artikel is inmiddels ook (verkort) gepubliceerd in de Volkskrant

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook