Mr. Big-methode: transparantere opsporing door uitspraak Hoge Raad

Onlangs wees de Hoge Raad twee arresten (in de ‘moord in Kaatsheuvel’-zaak en de ‘Posbankmoord’), waarbij hij oordeelde dat de zogenoemde Mr. Big-methode onder omstandigheden niet toelaatbaar is. Met de Mr. Big-methode wordt gedoeld op een heimelijke operatie van de politie waarbij wordt geprobeerd de verdachte een bekentenis te laten afleggen. In deze blog wordt hier door mr. M.A.M. (Maarten) Pijnenburg en Jordi l’Homme (LLB/BSc) nader op ingegaan. 

Om het op een simpele en onwetenschappelijke wijze te formuleren, heeft de misdaadbestrijding vaak de karaktereigenschappen van een Tom en Jerry-film. De opsporingsdiensten ‘jagen’ met behulp van technische hulpmiddelen op verdachten en soms op criminele organisaties die hen – vaak – te slim af zijn.

Tientallen jaren geleden volstond het nog om verdachten af te luisteren om zo inzichtelijk te krijgen welke criminele plannen en afspraken er werden gemaakt. Het gebruik van gecodeerde telefoons (encrypted) heeft gedurende langere tijd een voorsprong opgeleverd voor wetsovertreders. Door o.m. het kraken van een belangrijke server (Ennetcom) is deze situatie gewijzigd en is er zeer veel belastend materiaal boven water gekomen, waardoor er voor de opsporingsdiensten belangrijke doorbraken hebben plaatsgevonden in grote onderzoeken.

Het opsporen van zware misdaad is vanzelfsprekend sinds jaar en dag een kat en muis strijd tussen opsporingsdiensten en verdachten, maar een buitencategorie vormen de moordonderzoeken, waarbij er al tientallen jaren gebruik werd gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden zoals werken onder dekmantel en infiltratie. Binnen deze categorie zaken is het altijd de vraag hoe ver de politie mag gaan in (undercover)operaties.

In het algemeen geldt dat de politie zich niet schuldig mag maken aan uitlokking en geen ongeoorloofde druk mag uitoefenen. Er zijn namelijk ook zaken bekend waarbij ook na een bekentenis de verkeerde verdachte is veroordeeld (denk in dat verband aan bijvoorbeeld de Arnhemse villamoord of de zaak Ina Post). Dit gebeurt niet alleen in Amerika. 

Er zijn recentelijk (uitspraken december 2019) twee zaken aan de Hoge Raad voorgelegd waarbij er gebruik is gemaakt van de zogenaamde Mr. Big-methode: de ‘moord in Kaatsheuvel’-zaak en de ‘Posbankmoord’.

In beide zaken vond de Hoge Raad dat de zaken opnieuw moeten worden beoordeeld omdat in de uitspraken van het Gerechtshof onvoldoende is gemotiveerd of er sprake is geweest van ongeoorloofde druk die is uitgeoefend op de verdachten.

Wat houdt de Mr. Big-methode in?

Bij deze vorm van infiltratie wordt er net als in de bekende Netflix-serie Undercover, vrienden gemaakt met de verdachte om een vertrouwenspositie te verkrijgen. Er wordt in tegenstelling tot in de serie een fictieve criminele organisatie opgetuigd en de verdachte wordt een lucratief aanbod gedaan om hieraan mee te doen. De verdachte krijgt klusjes aangeboden en ‘groeit’ hierdoor in de organisatie, totdat de (nep-) baas Mr. Big er achter komt dat de verdachte in verband wordt gebracht met een moord waarmee deze hem confronteert. De moord vormt een risico voor de organisatie en de verdachte krijgt de keuze of ter plekke bekennen zodat Mr. Big iets voor hem kan regelen, of niet en vertrekken.

De Netflix-serie Undercover

De Hoge Raad over de Mr. Big-methode 

De kritiek op deze methode bestond uit drie elementen: (1) Is deze methode wel onder te brengen onder onze huidige wetsbepaling 126j Sv (stelselmatig inwinnen informatie); is het illegaal? (2) Is het een betrouwbare methode, bestaat er niet een groot risico van valse bekentenissen, wanneer iemand in een financiële of sociale afhankelijkheidssituatie komt te verkeren van een organisatie? (3) Is deze methode wel in overeenstemming met de verklaringsvrijheid die iemand in het strafproces heeft? Deze vrijheid is verankerd in artikel 6 EVRM en artikel 29 lid 2 Sv.

De Hoge Raad spreekt zich niet in algemene zin uit over een bekentenis die volgens deze Mr. Big-methode is verkregen, maar geeft daarbij aan dat het afhankelijk is van allerlei omstandigheden om vast te stellen of er inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte. Dit zal per individuele zaak door de feitenrechter (in de hiervoor genoemde zaken door het Gerechtshof) moeten worden beoordeeld en toereikend moeten worden gemotiveerd.

Grote winst 

De grote winst van beide uitspraken van de Hoge Raad is dat de Hoge Raad aangeeft dat er naast verslaglegging door middel van verbalisanten, indien mogelijk, ook auditieve of audiovisuele registratie dient plaats te vinden. Anders kan de rechter – vrij vertaald – onvoldoende controleren of de verklaringsvrijheid is geschonden.

Het proces wordt hierdoor voor alle procesdeelnemers beter controleerbaar. Dit lijkt een hele kleine stap, maar voor de rechtspraktijk – en met name voor de advocatuur – geeft het een beter houvast om te kunnen controleren of de opsporingsambtenaren niet over de schreef zijn gegaan.

Het probleem waar wij als verdedigers tot nog toe tegenaan liepen, is dat de processen-verbaal die aan ons en aan de rechtbank of het Gerechtshof ter beschikking worden gesteld, vaak een ‘gelikteversie vormen van de werkelijkheid en soms zelfs een mogelijk vervalste versie. Deze kwamen – anders gezegd – niet altijd overeen met de werkelijkheid.  

Na indringende gesprekken met onze cliënten blijkt dat er soms veel meer druk is uitgeoefend, of meer beloften zijn gedaan, dan het proces-verbaal ons deed vermoeden. De enige manier waarop wij nog enige controle konden uitoefenen was door het oproepen van de verbalisanten of begeleiders (ook wel runners genoemd) van onze cliënt de verdachte.

Als deze verzoeken al, met de nodige pijn en moeite worden toegewezen, dan leidde het vaak meer tot een ‘rituele dans’, dan tot helderheid. Iedereen die zich bezighoudt met dit soort zaken weet waar de valkuilen zich bevinden. Het is erg veel gevraagd van de slager om zijn eigen vlees af te keuren, en bovendien kan men zich in de regel ook beroepen op hogere opsporingsbelangen, die het beantwoorden van vragen doen beletten. In de regel eindigt de verdediging weer op het punt, waar men was gestart: het proces-verbaal dat niet overeenkwam met de lezing van onze cliënt.

Als rechters naar aanleiding van deze uitspraken ‘een vuist zouden maken’ en harde sancties, zoals bewijsuitsluiting, zouden toepassen indien er géén auditieve of audiovisuele registratie heeft plaatsgevonden, dan zijn we een stap verder op de weg naar een eerlijk proces. Het niet kunnen controleren van de opsporing, is vragen om moeilijkheden. Analoog aan de slogan van een bekend recherchebureau: vertrouwen is goed, maar (in dit geval) opnames zijn beter.

Wordt u verdacht van een misdrijf en wilt u advies inwinnen? Neem dan contact op met ons kantoor op het nummer 020-5237667 om te bekijken wat de mogelijkheden zijn!

Maarten Pijnenburg en Jordi l’Homme

Dekens Pijnenburg Strafrechtadvocaten

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook