De Wet USB: een moeizame start

Rechter hamer

Op 1 januari 2020 is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) in werking getreden. Het doel van deze wet is om veroordeelden sneller de straf te laten uitzitten waarvoor ze zijn veroordeeld. De belangrijkste wijziging (voor gedetineerden) is dat het Openbaar Ministerie niet langer verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van straffen. Het Openbaar Ministerie gaat zich meer focussen op opsporing en vervolging, in plaats van verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van straffen. Tot nu toe blijkt in de praktijk de werking van de Wet USB niet bepaald voorspoedig te verlopen. Voor gedetineerden is het van belang om tijdig informatie in te winnen. Voor gedetineerdenkrant de Bonjo schreven Justin Kötter en Jordi l’Homme een artikel hierover.

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van opgelegde straffen en maatregelen is met de komst van deze wet verschoven. Waar eerst het Openbaar Ministerie hiervoor verantwoordelijk was, is dit nu de minister van Justitie en Veiligheid. De wet moet ervoor zorgen dat de ten­uit­voer­legging van al eerder opgelegde straffen snel, goed en volledig plaatsvindt. 

Om deze doelen te bereiken, heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de taak gekregen om de uitvoering van straffen te coördineren. Het CJIB riep hiervoor het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) in het leven. De verschillende partijen in de zogeheten strafrechtketen kunnen nu dus vragen over de tenuitvoerlegging stellen aan het AICE. Dat zijn partijen zoals het CJIB en de DJI.

Kinderziektes

Dit alles lijkt op het eerste gezicht een positieve ontwikkeling. Maar is dat ook daadwerkelijk het geval? Helaas stellen wij vast dat de Wet USB in de eerste maanden te maken heeft (gehad) met de nodige kinderziektes. 

Zelfmeldbeleid

Zo komt uit onze praktijk het signaal dat sinds de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari het nodige mis gaat in het zelfmeldbeleid van veroordeelden. Als iemand detentiegeschikt wordt geacht door het AICE, zou de DJI een oproep tot zelfmelding moeten verzenden. Het AICE bepaalt dat iemand moet worden aangehouden als iemand niet wordt opgeroepen om zich te melden of als iemand na verzending van een oproep zich niet tijdig meldt.

Zoals hiervoor aangegeven voert het AICE op dit vlak het beleid uit. Het blijkt in de praktijk echter in sommige gevallen niet goed te gaan. Hierdoor worden veroordeelden, die de mogelijkheid zouden moeten krijgen om zichzelf netjes te melden, ineens geconfronteerd met de politie die op de stoep staat om ze op te halen. Dit zonder dat deze veroordeelden in de gelegenheid zijn geweest om zichzelf te melden en thuis het nodige te regelen en af te handelen. 

Een informatieblad over zelfmelden, te lezen via deze link.

Tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen

Ook ontstond begin dit jaar onduidelijkheid over het uitvoeren van voorwaardelijke straffen. De rechter kan een (gedeelte van de) straf voorwaardelijk opleggen. Dat betekent dat iemand de straf niet hoeft uit te voeren, maar dat wanneer deze persoon opnieuw een strafbaar feit pleegt, deze straf alsnog uitgevoerd dient te worden. De veroordeelde heeft dan de zogeheten algemene voorwaarde die is verbonden aan de voorwaardelijke straf overtreden.

Na het inwerkingtreden van de Wet USB ontstond hierover onduidelijkheid. Het was vóór de inwerkingtreding van de Wet USB voor de veroordeelde wél mogelijk om in hoger beroep te gaan tegen de beslissing van de rechter om de voorwaardelijke straf alsnog uit te voeren in verband met een ‘nieuw’ strafbaar feit. 

In de Wet USB is dit echter anders. Hierin is niet langer de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen deze beslissing van de rechter uitdrukkelijk opgenomen.

Rechters en de Wet USB

De Rechtbank Gelderland oordeelde begin dit jaar dat door de komst van de Wet USB de beslissingen die genomen zouden worden over een voorwaardelijk opgelegde straf meteen definitief zouden worden. Ook al wordt hoger beroep ingesteld tegen de ‘nieuwe’ verdenking. Voor deze ‘nieuwe’ verdenking zou iemand in hoger beroep vrijgesproken kunnen worden.

Die beslissing over de voorwaardelijk opgelegde straf blijft dan in stand. Ook al wordt een verdachte later in hoger beroep alsnog vrijgesproken van het ‘nieuwe’ strafbare feit. Dit komt er dan ook feitelijk op neer dat de verdachte de eerdere voorwaardelijke straf dan heeft moeten ondergaan. Dit terwijl hij niet de algemene voorwaarde van zijn voorwaardelijk opgelegde straf heeft overtreden. 

De rechtbank oordeelde dat de hiervoor omschreven situatie in strijd zou kunnen komen met het recht op een eerlijk proces. Daarom kon een uitvoering van de voorwaardelijke straf niet volgen. 

De overweging van de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2020:146)

Ondanks dat 2020 dus nog maar een paar weken jong was, waren er dus al zeer veel onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van de nieuwe wet USB. Mede ook omdat niet duidelijk is hoe de wetgever dit aspect van de wet heeft beoogd. 

Daarom werd deze vraag aan ons hoogste rechtscollege – de Hoge Raad der Nederlanden – voorgelegd. Is door de inwerkingtreding van de Wet USB verandering gekomen in de mogelijk om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing die is genomen over een voorwaardelijk opgelegde straf?

De Hoge Raad oordeelde dat hoger beroep mogelijk blijft tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens een nieuw strafbaar feit. 

De Wet USB: een moeizame start

Wij hebben al enkele cliënten te woord gestaan met vragen over ‘zelfmelden’ en het moeten uitvoeren van voorwaardelijke straffen. Het is ingewikkelde wetgeving, waarbij zelfs diegene die voor de uitvoering hiervan verantwoordelijk zijn steken laten vallen. Al met al moet de conclusie worden getrokken dat de Wet USB op z’n zachts gezegd een moeizame start heeft gehad. Het toont ook aan dat het belangrijk is om kritisch te blijven kijken naar veranderingen die vanuit de politiek worden doorgevoerd. 

Mogelijk bent u ook geïnteresseerd in een artikel over de mogelijke wijziging van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Klik hier om dit artikel te lezen.

Justin Kötter (strafrechtadvocaat bij Dekens Pijnenburg Strafrechtadvocaten)

Jordi l’Homme (juridisch medewerker bij Dekens Pijnenburg Strafrechtadvocaten en redactielid van de Bonjo)

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook