Wettig maar weinig overtuigend bewezen; de implicaties van de zaak Holleeder

In deze blog gaat mr. M.A.M. (Maarten) Pijnenburg in op de ontwikkelingen in de rechtspraak, waarbij hij aansluiting zoekt bij het betoog van de advocaten van Holleeder, die in hun appelmemorie kritiek uiten op het functioneren van de rechtspraak. Volgens mr. Pijnenburg hebben de advocaten van Holleeder een dappere actie ondernomen, waarbij zij voor de troepen uitlopen.

De advocaten van Willem Holleeder, mrs. Sander Janssen en Robert Malewicz, hebben door hun niet malse kritiek op het functioneren van de rechtspraak een steen in de vijver gegooid (hun appelmemorie is via deze link te lezen).

Het is in beginsel not done om zo openlijk kritiek te uiten op het functioneren van rechters; laat staan in een proces dat nog niet is beëindigd, en waarin je zelf een grote rol in hebt gespeeld.

Een larmoyante klacht of een gerechtvaardigde noodkreet?

Hebben Janssen en Malewicz een punt, of is het een larmoyante klacht van iemand die vol hartstocht een verloren zaak heeft verdedigd? 

Ik denk dat de noodkreet wel degelijk gerechtvaardigd is geweest, en een groter probleem blootlegt dan de op zichzelf staande zaak Holleeder. In dat opzicht is het een dappere actie waarbij zij voor de troepen uitlopen, en in diplomatieke taal de vinger leggen op een zeer gevoelig onderwerp; de beïnvloeding van de onafhankelijke rechter door de in de samenleving levende wraak en onlustgevoelens.

Niet de onafhankelijkheid in de zin van de beïnvloeding van rechters door maatschappelijke belangengroeperingen, maar wel het te gemakkelijk meedeinen op een maatschappelijke golf van verharding en vergroving ten opzichte van criminaliteit.

Verharding in de rechtszaal

Ook wij bespeuren een tendens van verharding in de rechtszaal. De rechtspraak is van oudsher een soort maatstaf van het beschavingsniveau in een samenleving. Op het moment dat justitiabelen teveel het gevoel krijgen te worden afgeserveerd in de rechtszaal, is dit schadelijk voor het systeem. Iedereen aanvaardt, of dient te aanvaarden, dat misdaad bestraft moet worden, maar de wijze waarop en de zorgvuldigheid waarmee dit gebeurt, is bepalend voor het morele gezag van de rechtspraak.

Of de heer Holleeder terecht tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, kan moeilijk zonder voldoende kennis van het dossier worden beoordeeld. Het is wel opmerkelijk dat de zogenaamde volgers van dit proces, bestaande uit het serieuze deel van de pers, verbaasd waren over de integrale veroordelingen in allezaken. Van een afstand beschouwd is het bewijs vooral gebaseerd op getuigen uit het milieu, die vanwege het mogelijke belang van afscherming van een eigen aandeel of dat van een bevriende medeverdachte, in de regel niet de meest betrouwbare ankers zijn voor een rechterlijk oordeel. Hierbij laten we het element van het tijdsverloop nog maar even buiten beschouwing.

Deze veroordeling is zeker te plaatsen in een tendens van verharding en repressie. Vanuit de gedachte dat de verdachte intrinsiek slecht is, wordt er naar een bepaald doel toe geredeneerd. Deze man/vrouw mag niet vrijuit gaan. Dat moeten we, zoals dat in populistische bewoordingen heet: niet willen met zijn allen. Het schijnt dat de 850 pagina’s dikke pleitnota, wel degelijk reële alternatieve scenario’s heeft geschetst.

Toeredeneren naar daderschap

Soortgelijke ervaringen hebben wij gehad in een geruchtmakende zaak die afgelopen zomer diende voor de Rechtbank Amsterdam. In een drievoudige moord/doodslag zaak, hing er een zwaar stigma van daderschap over onze cliënt. Hoewel cliënt uiteindelijk voor twee feiten werd vrijgesproken, is onze indruk dat de rechtbank vanuit de overtuiging van het daderschap naar het bewijs heeft toegeredeneerd en maar in beperkte, en naar ons standpunt,  in onvoldoende mate het aangedragen ontlastend materiaal heeft onderzocht.

Ondanks dat de bejegening van zowel onze cliënt als de verdediging zeer correct was, werd vooral de indruk gewekt dat deze man nimmer vrijuit moet kunnen gaan.

De oorspronkelijke gedachte van een strafproces is simpel gezegd: dat er dient te worden vastgesteld of buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Dit kan om een ernstige of minder ernstige zaak gaan. 

Alle omstandigheden dienen hierbij te worden meegewogen. 

Veroordelen kan vaak makkelijk

Er is steeds meer een tendens te bespeuren dat er vanuit de veronderstelling van daderschap en schuld, wordt gezocht naar bewijsmiddelen die de vaststelling van schuld bevestigen. In een omvangrijk dossier zijn de bouwstenen om iemand schuldig te oordelenvaak gemakkelijk te vinden. Het wettelijk minimum voor bewijs wordt vaak moeiteloos gehaald. 

Het buiten de grenzen van gerede twijfel uitsluiten van de verdachte als dader, is vaak lastiger te beredeneren, en kan zelfs pijn doen, als het niet lukt. Vooral als er een overtuiging bestaat dat het om de dader gaat.

In een rechtsstaat is deze ondergrens wel de prijs die wordt betaald voor wettig en overtuigend bewijs en het terugdringen van de kans op een rechterlijke dwaling. Er is een rechte rug nodig om het gevoel dat een vermoedelijke dader vrijuit gaat te trotseren.

Maarten Pijnenburg (advocaat)

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter

Lees ook